De zeven Romeinse cijfers
| I | V | X | L | C | D | M |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 5 | 10 | 50 | 100 | 500 | 1000 |
De regels
- Optellen: cijfers van groot naar klein tel je op. VIII = 5 + 3 = 8, MDC = 1600.
- Aftrekken: een kleiner cijfer vóór een groter trek je af. Dat mag alleen met I (voor V en X), X (voor L en C) en C (voor D en M). IV = 4, XC = 90, CM = 900.
- Hoogstens drie keer: hetzelfde cijfer staat nooit meer dan drie keer achter elkaar. 4 is dus IV, niet IIII.
Voorbeelden
1990 = M + CM + XC = MCMXC. 2026 = MM + XX + VI = MMXXVI. Je ziet Romeinse cijfers nog vaak op gevels, klokken, bij jaartallen in films en bij namen van vorsten, zoals Lodewijk XIV of paus Leo XIV.
Veelgestelde vragen
Welke Romeinse cijfers zijn er?
I = 1, V = 5, X = 10, L = 50, C = 100, D = 500 en M = 1000. Alle andere getallen maak je door deze te combineren.
Hoe werkt het aftrekken?
Staat een kleiner cijfer vóór een groter, dan trek je het af: IV = 4, IX = 9, XL = 40, XC = 90, CD = 400 en CM = 900. Alleen I, X en C mogen zo gebruikt worden.
Wat is het grootste Romeinse getal?
Met de gewone schrijfwijze is dat 3999 (MMMCMXCIX). Voor grotere getallen zetten de Romeinen een streep boven een cijfer; die vermenigvuldigt het met duizend.