Marge en opslag: twee manieren om winst te meten
Stel, je koopt een product in voor € 60 en verkoopt het voor € 100. Je winst is € 40. Maar is dat 40% of 66,7%? Allebei, afhankelijk van waar je het mee vergelijkt:
| Formule | Voorbeeld | |
|---|---|---|
| Winstmarge | winst ÷ verkoopprijs × 100 | 40 ÷ 100 = 40% |
| Opslag | winst ÷ inkoopprijs × 100 | 40 ÷ 60 = 66,7% |
| Verkoopprijs bij marge | inkoop ÷ (1 − marge) | 60 ÷ 0,6 = € 100 |
| Verkoopprijs bij opslag | inkoop × (1 + opslag) | 60 × 1,667 = € 100 |
De klassieke fout
Wie 40% marge wil en de inkoopprijs met 1,4 vermenigvuldigt, rekent eigenlijk met 40% opslag. Dat levert € 84 op, en daarop is de marge maar 28,6%. Gebruik voor een marge altijd de deling: inkoop ÷ (1 − marge).
Welke marge is goed?
Dat verschilt sterk per sector. Supermarkten werken met lage marges en grote aantallen, terwijl kleding, cosmetica of software veel hogere marges hebben. Vergeet niet dat uit de marge ook je vaste kosten betaald moeten worden, zoals huur, personeel, verzending en betaalkosten.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen marge en opslag?
Beide gaan over dezelfde winst, maar gedeeld door iets anders. Marge = winst ÷ verkoopprijs. Opslag = winst ÷ inkoopprijs. Inkoop € 60 en verkoop € 100 geeft € 40 winst: 40% marge, maar 66,7% opslag.
Hoe bereken je de verkoopprijs voor een gewenste marge?
Deel de inkoopprijs door (1 − marge). Wil je 40% marge op een inkoop van € 60, dan is de verkoopprijs 60 ÷ 0,6 = € 100. Een veelgemaakte fout is 60 × 1,4 = € 84 rekenen; dat geeft maar 28,6% marge.
Reken ik met of zonder btw?
Zonder. Btw is geen omzet voor je bedrijf, dus reken inkoop en verkoop allebei exclusief btw.